Antonius van Padua

Officieel houdt de R.-K. Kerk nog altijd het jaar 1195 aan als geboortejaar van Antonius. Wetenschappelijk onderzoek in 1981 heeft met grote zekerheid aangetoond, dat Antonius 39 jaar en 9 maanden oud was toen hij stierf. Dat betekent dat hij in 1191 geboren moet zijn, want zijn sterfdatum, 13 juni 1231, staat vast. Een legende vertelt, dat toen hij in Lissabon geboren werd, de klokken van de kathedraal luidden ter ere van het Hoogfeest van Maria Tenhemelopneming. Daarom zien zijn vereerders de datum 15 augustus 1191 als zijn geboortedag. Antonius werd acht dagen na zijn geboorte gedoopt, en ontving daarbij de naam ‘Fernando de Bouillon’. Zijn moeder droeg hem op aan Maria.

In 1210 trad Fernando toe tot de Orde van de Augustijnen. In 1220 werden de stoffelijke resten van de eerste vijf franciscaanse martelaren, Berardo en zijn gezellen, begraven in de kruisgang van het Santa Cruz klooster in Coimbra. Fernando was diep onder de indruk van het martelaarschap van deze broeders en besloot om de Orde der Augustijnen te verlaten en minderbroeder te worden. Het kerkje van de minderbroeders in Coimbra was gewijd aan Antonius abt, en daarom nam hij toen de naam Antonius aan.

Hij verlangde hevig naar het martelaarschap, en wilde zo graag voor zijn Heer zijn leven geven, dat hij nog in 1220 vertrok naar Noord-Afrika om onder de Saracenen het geloof te verkondigen. Bij aankomst werd hij ziek en wel zo erg dat hij in het voorjaar van 1221 terug moest naar Portugal. Het schip kwam echter in een zware storm terecht en dreef af naar Sicilië, waar Antonius aan land ging en vervolgens met de aldaar wonende minderbroeders meeging naar de grote Pinkstervergadering in Assisië op 31 mei 1221. Daar ontmoette hij de stichter van zijn orde, Franciscus van Assisië. Zijn leven zou een andere richting ingaan dan dat hij zelf gepland had. In plaats van de marteldood te sterven in Noord-Afrika werd hij uiteindelijk de grote apostel van Italië en Zuid-Frankrijk.

Antonius werd een voorbeeld van christelijke deugden, en wijdde zich zijn gehele leven met hart en ziel toe aan de liefde tot God en de medemens. Hij stelde zich geheel in dienst van tijdelijke en spirituele zorg voor de naaste. Hij was niet alleen tijdens zijn leven voor velen een steun en toeverlaat; tot op de dag van vandaag is hij een Volksheilige en beschouwen zijn vereerders hem nog altijd als een vriend, een bron van inspiratie, en hulp in vele noden.

Aan het einde van zijn leven trok Antonius zich in alle eenzaamheid terug in Camposampiero, in een cel hoog in een walnotenboom, om zich in stilte met God te kunnen onderhouden. In de schaduw onder de walnotenboom waren twee cellen, één voor broeder Rogier en één voor broeder Lucas Belludi. De laatste keer dat hij uit de walnotenboom naar beneden klom, om samen met zijn medebroeders het middagmaal te gebruiken, werd hij onwel, en gaf hij aan dat zijn einde naderde. Hij vroeg de broeders om hem naar Padua te brengen. Zij vervoerden hem op een ossenwagen, maar moesten vanwege zijn steeds slechter wordende conditie halt houden bij het klooster van de Clarissen in Arcella. Daar op zijn sterfbed, op 13 juni 1231, temidden van zijn medebroeders, had hij het voorrecht Jezus te mogen aanschouwen. Toen hij een lange tijd voor zich uit staarde, vroeg broeder Rogier hem wat hij zag, en Antonius sprak: “Video Dominum meum”. (Ik zie mijn Heer.) Kort daarna stierf hij.

Dinsdag 17 juni 1231 werd zijn lichaam in een triomfale processie plechtig van Arcella naar de Kerk van de H. Maria in Padua gebracht, alwaar hij werd begraven. Bij zijn graf werden die dag vele mensen genezen. Sindsdien beschouwen zijn vereerders elke dinsdag als Antoniusdag.

Antonius van Padua werd binnen een jaar na zijn dood, op 30 mei 1232, Heilig verklaard. Geen heilige is in zo korte tijd deze eer te beurt gevallen. Op 13 juni 1232 werd zijn feestdag voor het eerst gevierd. Van toen af aan werd hij jaarlijks herdacht als ‘Belijder’. Paus Pius XII heeft hem op 16 januari 1946 tot Kerkleraar verheven. Sindsdien wordt hij vereerd als ‘Belijder en Kerkleraar’.